Publicatie

Publicatie datum
Arbocuratieve samenwerking anno 2001: het perspectief van de huisarts.
Burg, J.C.M. van der, Beek, A. van der, Schellevis, F.G. Arbocuratieve samenwerking anno 2001: het perspectief van de huisarts. Utrecht: NIVEL, 2003.
Download de PDF
Huisartsen en bedrijfsartsen werken nauwelijks samen. Gemiddeld hebben de huisartsen zo'n twee keer per maand contact met een bedrijfsarts. Het initiatief gaat daarbij in meer dan 80% van de gevallen uit van de bedrijfsarts. Deze contacten zijn meestal bedoeld om informatie uit te wisselen of te overleggen over de behandeling of de begeleiding van de patiënt. Tweederde van de huisartsen beoordeelt de contacten met bedrijfsartsen over patiënten als redelijk of goed. Dit blijkt uit onderzoek van het NIVEL en het EMGO Instituut ( www.emgo.nl) naar arbocuratieve samenwerking in opdracht van ZonMw (www.ZonMw.nl) en de ministeries van VWS www.minvws.nl en SZW (www.minszw.nl) . Doel was te onderzoeken hoe huisartsen staan tegenover de samenwerking met bedrijfsartsen. Voor het onderzoek is onder 195 representatieve huisartsen een enquête afgenomen (respons 97%) en zijn de video-opnamen van 1350 spreekuurcontacten systematisch geobserveerd. Voor de gegevensverzameling werd aangesloten bij de Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk.
Huisartsen blijken veel praktische knelpunten te ervaren in de samenwerking met bedrijfsartsen. Het gaat hierbij met name om de moeilijke (telefonische) bereikbaarheid. Bovendien is voor de huisarts vaak onduidelijk wie de bedrijfsarts van de patiënt is. Het vertrouwen van huisartsen in het werk van bedrijfsartsen is overheersend neutraal. Driekwart van alle huisartsen acht zichzelf meer verantwoordelijk dan de bedrijfsarts voor verwijzingen van patiënten met een arbeidsgerelateerde aandoening naar de medisch specialist. Uit het onderzoek blijkt dat huisartsen het mogelijke verband tussen de klachten van de patiënt en diens werksituatie serieus nemen. Ze weten van driekwart van hun patiënten welk werk zij doen en in ruim de helft van de spreekuurcontacten met patiënten tussen de 18 en 65 jaar komt het werk op enigerlei wijze ter sprake.