Nieuws
19-11-2012
Driekwart verpleegkundigen denkt pensioen niet te halen

Slechts 27% van de verpleegkundigen, verzorgenden en sociaal agogisch begeleiders denkt door te kunnen werken tot hun pensioen. Ruim vier van de tien zijn niet tevreden met het werk of vinden de werkdruk te hoog om zo lang door te kunnen werken. 


Doordat oudere verpleegkundigen en verzorgenden de zorg verlaten en er minder jongeren bijkomen, zal het arbeidsaanbod de komende jaren afnemen. Terwijl door onze steeds hogere leeftijd, de vergrijzing en de toename van het aantal chronisch zieken de vraag naar zorg alleen maar zal stijgen. Er moeten dus meer nieuwe verpleegkundigen, verzorgenden en sociaal agogisch begeleiders bijkomen in de zorg, maar het is ook belangrijk dat de ouderen blijven werken. Het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek naar de gezondheidszorg) peilde in het Panel Verpleging & Verzorging hoeveel verpleegkundigen, verzorgenden en sociaal agogisch begeleiders verwachten hun werk vol te kunnen houden tot hun pensioen.
 
Tevredenheid en werkdruk
Zorgverleners die minder tevreden zijn met hun werk of die een hogere werkdruk ervaren, voelen zich minder vaak in staat door te werken tot hun pensioen dan degenen die meer tevreden zijn of een lagere werkdruk ervaren. Slechts 27% denkt zijn pensioen te halen in zijn werk. Drie van de tien weten het nog niet en 43% verwacht niet in staat te zijn het huidige werk tot het pensioen vol te houden. 85% van de beroepskrachten in de directe patiëntenzorg denkt dat 50-plussers langer blijven werken als de werkdruk acceptabel is.
 
Aangrijpingspunten
Werktevredenheid en ervaren werkdruk bieden werkgevers dus aangrijpingspunten om zorgpersoneel tot hogere leeftijd door te laten werken. Waar kunnen zij dan zoal aan denken? NIVEL-onderzoeker Anke de Veer: “Bij de werktevredenheid gaat het vooral om een prettig contact met de leidinggevende en duidelijkheid over wat er van de werknemer wordt verwacht. Ook als de zorgverlener de indruk heeft dat het werk genoeg kans biedt tot promotie en persoonlijke groei, vergroot dit de kans dat de zorgverlener langer denkt te kunnen doorwerken. Zorgverleners die tevreden zijn over de kwaliteit van de zorg verwachten ook vaker het werk vol te kunnen houden dan zorgverleners die daarover minder tevreden zijn. Wat betreft werkdruk gaat het om het gevoel voortdurend tijd te kort te hebben voor cliënten. Dit vergroot de kans op voortijdige uitval.”
 
Tekorten voorkomen
“Om verpleegkundigen, verzorgenden en sociaal agogisch begeleiders voor de zorg te behouden is aandacht nodig voor de verschillende aspecten van werktevredenheid en daarnaast voor de werkdruk van deze zorgverleners”, stelt Anke de Veer. “Hiermee kan mogelijk een bijdrage worden geleverd aan het voorkomen van de tekorten aan arbeidskrachten in de zorgsector die momenteel worden verwacht. Bij de inschatting of iemand het huidige werk kan volhouden tot het pensioen, speelt ook de beroepstrots een rol, maar ervaren werkdruk en werktevredenheid zijn belangrijker.”
 
Verzorgenden en jongeren
Een extra kwetsbare groep vormen de verzorgenden: ruim de helft (51%) denkt niet in staat te zijn hun werk tot hun pensioen voort te zetten. De kans dat zij vroegtijdig uit het beroep treden is groter. Dat ook de jongere zorgverleners verwachten dat ze het huidige werk niet kunnen volhouden is opmerkelijk. Anke de Veer: “Hier speelt mogelijk een selectie-effect: de oudere deelnemers aan het onderzoek zijn – in vergelijking met hun leeftijdsgenoten – al de volhouders. Werkgevers moeten dus al bij de jongere werknemers beleid maken om hen voor het werk te behouden.”

Panel Verpleging & Verzorging
Het Panel Verpleging & Verzorging bestaat uit ongeveer 1350 verpleegkundigen, verzorgenden, sociaal agogisch begeleiders en helpenden. De verpleegkundigen werken vooral in de ziekenhuizen, de psychiatrie, de zorg voor mensen met een beperking en de thuiszorg. De verzorgenden en helpenden werken vooral in verpleeg- en verzorgingshuizen en thuiszorg. Alle sociaal agogisch begeleiders werken in de gehandicaptenzorg. Het panel wordt gesubsidieerd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.