Nieuws
17-11-2008

Gewoon meedoen is niet vanzelfsprekend

Hoe doen mensen met een beperking mee in de maatschappij? Mensen met een lichamelijke beperking wonen en werken meestal net als iedereen, en ook zij zijn niet altijd tevreden met hun werk. Mensen met een verstandelijke beperking wonen en werken vaak in een speciale omgeving.  
 

Het overheidsbeleid is erop gericht dat iedereen – dus ook mensen met een beperking – zoveel mogelijk ‘gewoon mee kan doen’ in de maatschappij. Bijvoorbeeld werken bij een gewone werkgever, schoolgaan op een gewone school, sporten bij een gewone sportvereniging en reizen met het openbaar vervoer. Met subsidie van het ministerie van VWS bracht het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) in kaart hoe mensen met een beperking meedoen aan de samenleving.

Keerzijde gewoon meedoen
Mensen met een lichamelijke beperking nemen minder deel aan de samenleving dan de meeste Nederlanders. Als ze meedoen, doen ze dat meestal op een vergelijkbare manier. Ze hebben minder vaak een betaalde baan dan de gemiddelde Nederlander, maar wel bij een gewone werkgever. Van de jongeren en jong volwassenen (15 tot 40) heeft maar de helft betaald werk, terwijl vier van de vijf het wel belangrijk vinden om betaald werk te hebben. Er zit wel een keerzijde aan het ‘gewoon meedoen’. Zo geeft een derde van degenen die betaald werk hebben aan, ontevreden te zijn met hun werk. Ze willen graag minder uren werken, of minder belastend werk. Volgens de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad Nederland blijken werkgevers echter nauwelijks bereid de werkzaamheden of werkomstandigheden aan te passen aan de mogelijkheden van mensen met beperkingen.

Anders meedoen
Mensen met een verstandelijke beperking die ‘meedoen’ in de samenleving, doen dat vaak in een speciale setting. Zo wonen de meesten wel in een gewone wijk maar samen met anderen met een beperking. De meesten werken bij de Sociale Werkvoorziening, doen onbetaald werk of hebben georganiseerde dagbesteding. Activiteiten in de vrije tijd ondernemen ze ook vaak met anderen met een verstandelijke beperking en ze maken vaker gebruik van speciaal vervoer dan van openbaar vervoer. NIVEL-onderzoeker Peggy van den Hoogen: “Het is voor mensen met een verstandelijke beperking vaak niet makkelijk ‘om gewoon mee te doen’. Vaak missen ze de aansluiting met de ‘reguliere samenleving’. In een speciale setting voelen ze zich vaak meer gewaardeerd en welkom. ‘Gewoon meedoen’ is overigens wel persoonlijk, er zijn ook mensen met een verstandelijke beperking die makkelijk ‘gewoon’ meedoen.”

NPCG en PSL
Voor de gegevensverzameling bij mensen met een lichamelijke beperking is gebruik gemaakt van het Nationaal Panel Chronisch Zieken en Gehandicapten (NPCG). Dit bestaat uit ruim 3.500 zelfstandig wonende mensen met een chronische ziekte of handicap van 15 jaar en ouder. In het NPCG worden continu gegevens verzameld over de maatschappelijke en financiële situatie van de panelleden. Zij rapporteren deze zelf. Voor de gegevensverzameling bij mensen met een verstandelijke beperking is gebruik gemaakt van het Panel Samen Leven (PSL). In het PSL zijn ruim 700 mensen met een lichte of matige verstandelijke beperking vertegenwoordigd. In dit onderzoek is gebruik gemaakt van gegevens die door hun directe naasten zijn verzameld. Het NPCG en PSL zijn belangrijke instrumenten om de gevolgen van het overheidsbeleid voor mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking inzichtelijk te maken.

Subsidiënt


 

  • Ministerie van VWS