Publicatie

Publicatie datum
Je gaat het pas zien als je het door hebt: multimorbiditeit in de huisartspraktijk.
Schellevis, F.G. Je gaat het pas zien als je het door hebt: multimorbiditeit in de huisartspraktijk. Utrecht: NIVEL, 2006.
Download de PDF
Bijna een derde van alle chronisch zieken heeft twee of meer chronische aandoeningen tegelijk (multimorbiditeit). Daarbij komt het geregeld voor dat de behandelrichtlijn voor de ene aandoening strijdig is met die voor de andere. Huisartsen zouden de zorg aan mensen met multimorbiditeit moeten gaan coördineren omdat zij het beste overzicht hebben over de aandoeningen en de betrokken behandelaars.

Dat zegt François Schellevis, die benoemd is tot bijzonder hoogleraar bij de afdeling huisartsgeneeskunde van het VU Medisch Centrum. Zijn leerstoel, ‘Multimorbiditeit in de huisartspraktijk’, is een initiatief van het onderzoeksinstituut NIVEL, waar Schellevis leiding geeft aan het onderzoeksprogramma Huisartsenzorg. Met het uitspreken van de rede ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt: multimorbiditeit in de huisartsenpraktijk’ op 11 oktober 2006 zal hij zijn ambt aanvaarden.

‘Dubbele vergrijzing’
Gegevens van een interview bij bijna 13.000 Nederlanders uit de Tweede Nationale Studie van het NIVEL laten zien dat 30% van de bevolking desgevraagd zegt aan twee of meer chronische aandoeningen te lijden. In de huisartspraktijk worden vergelijkbare percentages gevonden, en deze percentages zijn hoger naarmate de leeftijd toeneemt (“de ouderdom komt met gebreken”). Door de toename van het aantal ouderen in de bevolking en omdat die ouderen ook steeds ouder worden, de zogenaamde ‘dubbele vergrijzing’, zal het aantal mensen met multimorbiditeit alleen maar toenemen.

Mensen die lijden aan twee of meer ziekten zijn meestal onder behandeling of controle bij minstens twee behandelaars. Wanneer die verschillende behandelaars niet van elkaars handelen op de hoogte zijn, kan het zijn dat verschillende medicijnen of behandelingen elkaar dwarszitten of niet verdragen. Zo is regelmatige lichaamsbeweging bijvoorbeeld goed voor patiënten met artrose om verstijving van gewrichten tegen te gaan, maar als iemands lichamelijke conditie door hartfalen beperkt is, hoe kan hij dan aan z’n dagelijkse ommetje toekomen?

“Specialisten voor de verschillende ziektes zijn nauwelijks van elkaars handelen op de hoogte. Zelfs binnen hetzelfde ziekenhuis weten ze van elkaar niet wat ze doen. Zelfs binnen dezelfde afdeling. Steeds weer opnieuw je verhaal doen en vertellen welke medicijnen je hebt” [citaat van een patiënt met multimorbiditeit; Heijmans et al, 2003].

Huisarts
Huisartsen beheren van oudsher het medisch dossier van de patiënten die in hun praktijk staan ingeschreven en zij beschikken dan ook over de meest complete informatie. Naast het generalistisch werken van de huisarts is dat volgens Schellevis nog een goede reden om de coördinatie van de zorg bij hen neer te leggen. Dat hoeft overigens niet altijd de huisarts zelf te zijn. Ook praktijkondersteuners en praktijkverpleegkundigen zijn zeer goed in staat om de zorg voor mensen met multimorbiditeit te coördineren.

Naast het beheren van het medisch dossier en het overzicht houden over alle betrokken behandelaars, zouden huisartsen ook met de patiënt samen moeten inventariseren welke behandelingen zijn geadviseerd, welke geneesmiddelen de patiënt gebruikt en welke prioriteiten gelegd moeten worden als er tegenstrijdigheden zijn. Op die manier raakt de patiënt actief betrokken bij de zorg, zónder dat hij zelf daarvoor de primaire verantwoordelijk hoeft te dragen.

Onderzoek
Richtlijnen voor de optimale behandeling van ziekten zijn zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk bewijs over de effectiviteit van die behandeling. Maar de onderzoeken die dat bewijs leveren zijn vrijwel altijd uitgevoerd onder ‘model-patiënten’ met één ziekte, en niet onder mensen met multimorbiditeit. De wetenschappelijke onderbouwing voor de medische zorg aan mensen met multimorbiditeit is dan ook een braakliggend terrein.

Richtlijnen voor de medische zorg
Schellevis pleit niet voor het ontwikkelen van nieuwe richtlijnen voor de optimale behandeling van specifieke combinaties van ziekten. Dat zou onhaalbaar zijn omdat het aantal combinaties vrijwel oneindig is. In plaats daarvan stelt hij voor behandelingsstrategieën wetenschappelijk te onderbouwen, bijvoorbeeld: hoe kun je het beste prioriteiten stellen als behandelingen tegenstrijdig zijn? Op welke manier kun je de patiënt zelf bij deze afweging betrekken? Dat zijn de onderzoeksvragen waarop antwoorden moet worden gevonden. Op basis van dat onderzoek kunnen dan vervolgens algemene richtlijnen worden opgesteld voor de zorg aan mensen met multimorbiditeit.
Vragen, bel of mail: