Publicatie

Publicatie datum
Knelpunten rond de opleidingsplaatsen voor jeugdartsen, infectieziekte-artsen, medisch milieukundigen en Tuberculose-artsen: een onderzoek op basis van literatuur, interviews onder instellingen, en een discussiebijeenkomst met stakeholders.
Batenburg, R., Lee, I. van der. Knelpunten rond de opleidingsplaatsen voor jeugdartsen, infectieziekte-artsen, medisch milieukundigen en Tuberculose-artsen: een onderzoek op basis van literatuur, interviews onder instellingen, en een discussiebijeenkomst met stakeholders. Utrecht: NIVEL, 2014.
Download de PDF
De publieke gezondheidszorg heeft te maken met snelle en ingrijpende veranderingen. Het gaat om een groot aantal transities, vooral in de jeugdzorg, maar ook in de langdurige zorg en op alle terreinen van voorlichting en preventie. Leidend voor de transities is het beleid om zorg zoveel mogelijk in de eerste lijn te leveren in plaats van in de tweede lijn. Ook leidend is het beleid om de professionele zorg zoveel mogelijk te ontlasten door preventie, zelfredzaamheid en leefstijlverbetering. Dit gaat gepaard met een aantal decen-tralisaties, waarbij de gemeenten een grotere verantwoordelijkheid krijgen voor de toe-gankelijkheid van zorg op maat en in de buurt. Alle beleidsmakers en uitvoerders in de publieke gezondheidszorg hebben direct te maken met deze transities en decentralisaties. Zoals de recent uitgebrachte Kamerbrief over ‘Betrouwbare publieke gezondheid: Geza-menlijke verantwoordelijkheid van gemeenten en Rijk’ het samenvat:
“De publieke gezondheidszorg is in beweging, moet haar verdiensten koesteren maar staat ook voor nieuwe uitdagingen. Het is aan de vier centrale spelers om dit gezamen-lijk, met respect voor ieders verantwoordelijkheden, op te pakken en daaraan vorm te geven. Het Rijk en de gemeenten moeten de bestuurlijke kaders bepalen; RIVM en GGD’en moeten zorgen voor een adequate en efficiënte professionele samenwerking.”

Dit citaat stipt aan dat er binnen de publieke gezondheidszorg verschillende partijen, ta-ken en verantwoordelijkheden zijn die om coördinatie vragen. Een belangrijke voorwaar-de hiervoor is (1) goed zicht op de beschikbare en benodigde capaciteit aan zorgverleners en ondersteuners, en (2) personeelsbeleid dat stuurt op een optimale bezetting (of: skill mix) van zorgprofessionals om alle publieke gezondheidszorgtaken uit te voeren. Juist dit is extra lastig in de complexe en veranderende omgeving waarin de publieke gezond-heidszorg zich bevindt. Tegen deze achtergrond verdient de positie van artsen die gespe-cialiseerd zijn in de publieke gezondheidszorg van bijzonder speciale aandacht. Welis-waar vormen zij niet de grootste personeelscategorie die werkzaam is in de sector, maar hun taken en bevoegdheden zijn wel bepalend voor een groot aantal processen waar on-derzoek, behandeling, preventie, voorlichting en administratie van verschillende organisa-ties mee te maken hebben. Wat betreft de positie en inzet van artsen M&G bestaat er al-leen een globale coördinatie en een aantal richtlijnen. Voor artsen infectieziektebestrij-ding bestaat er de zogenaamde VISI-normering, voor medisch milieukundigen zijn er ideeën over normen voor 24x7 rampbezetting en piketdiensten, maar voor de meeste pu-blieke gezondheidszorgberoepen ontbreken vaste capaciteitsnormen of richtlijnen. Wel staat in de Wet publieke gezondheid en het daarbij behorende Besluit publieke gezond-heid van 2010, dat GGD’en en organisaties werkzaam op het terrein van de jeugdgezond-heidszorg dienen te beschikken over deskundigen (waaronder artsen). De artikelen 15 van de Wet publieke gezondheid (Hoofdstuk IV over de gemeentelijke gezondheidsdien-sten) en 17 van het Besluit publieke gezondheid uit deze wet specificeren dit. In deze wetsartikelen worden de vier beroepen in de publieke gezondheidszorg benoemd, name-lijk medisch milieukundigen, jeugdartsen, artsen infectieziektebestrijding en tuberculose-artsen (meer informatie over deze vier publieke gezondheidsberoepen is te vinden in bij-lage I). Expliciet is vastgelegd welke publieke gezondheidszorgtaken zij geacht worden uit te voeren en aan welke opleidings- en registratie-eisen zij moeten voldoen. Maar de wet geeft niet aan hoeveel profielartsen en artsen M&G per organisatie, taak, proces of regio opgeleid moeten worden, en/of en in welke verhouding tot elkaar of tot andere be-roepen.

Het op landelijk niveau op te leiden aantal jeugdartsen, artsen medisch milieukundigen, artsen tuberculose- en infectieziektebestrijding wordt periodiek onderzocht en geadvi-seerd door het Capaciteitsorgaan. In het kader van de integrale raming van het Capaci-teitsorgaan 2013 is berekend wat de benodigde instroom in de betreffende opleidingen zou moeten zijn, om deze vier beroepsgroepen (afzonderlijk) in de komende 12 à 15 jaar van voldoende capaciteit te voorzien. Daarbij wordt modelmatig rekening gehouden met (1) de toekomstige veranderingen in het arbeidsaanbod door in- en uitstroom, (2) de toe-komstige veranderingen in de vraag naar de beroepen door demografische en niet-demografische ontwikkelingen en (3) de zogenaamde onvervulde vraag als gevolg van actuele tekorten. De huidige en de verwachte tekorten spelen vooral voor jeugdartsen door een achterblijvende instroom in de zogenaamde profielopleiding (eerste fase) tot jeugdarts KNMG. Ondanks dat er veel geïnvesteerd is om de opleidingsachterstand in te lopen (het aantal geregistreerde aio’s steeg tussen 2008 en 2012 van 83 naar 122), schat het Capaciteitsorgaan dat de onvervulde vraag in 2013 nog 130% van de huidige capaci-teit is. Het instroomadvies van 112 tot 144 per jaar blijft dan ook hoog in vergelijking met de gerealiseerde instroom die tussen 2010 en 2012 rond de 70 per jaar schommelde. Voor de drie andere profielopleidingen zijn de aantallen lager en is er geen of minder onderca-paciteit. In de profielopleiding infectieziektebestrijding stroomden in 2012 een aantal van 14 aio’s in (advies: 15-19), tuberculosebestrijding 0 (advies: 5-6) en medische milieukun-de 2 (advies: 3-4). Voor de tweede fase van de opleiding tot arts M&G gaat het ook om kleinere aantallen, maar lijkt de instroom ook achter te blijven. In 2012 was de totale instroom 25, terwijl het Capaciteitsorgaan per 2013 een instroom adviseerde van 44 tot 51 personen per jaar. Dit verschil wordt vooral veroorzaakt door een onvervulde vraag naar medische milieukundigen en artsen infectieziektebestrijding die de tweede fase arts M&G hebben afgerond.
Gegevensverzameling
Vragen, bel of mail:
R.S. (Ronald) Batenburg
Programmaleider en bijzonder hoogleraar Arbeid en Organisatievraagstukken in de Gezondheidszorg (Radboud Universiteit)