Publicatie

Publicatie datum
Kwaliteitsborging van extramurale medische hulpmiddelen: een rolverkenning van gebruikers van medische hulpmiddelen, zorgverzekeraars, gemeenten en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd.
Mol, T.I., Verweij, L., Bruijne, M.C. de. Kwaliteitsborging van extramurale medische hulpmiddelen: een rolverkenning van gebruikers van medische hulpmiddelen, zorgverzekeraars, gemeenten en de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd. Amsterdam: APH research Instituut, 2017.
Download de PDF
Jaarlijks ontvangt de IGJ duizenden meldingen over medische technologie waaronder klachten en meldingen over extramurale medische hulpmiddelen. Dit zijn onder andere klachten en meldingen over risicovolle situaties, technische mankementen, of gebrekkige communicatie en samenwerking tussen betrokken actoren. Gemeenten, zorgverzekeraars, leveranciers en fabrikanten zijn de belangrijkste actoren in het verstrekken en onderhouden van medische hulpmiddelen. Leveranciers en fabrikanten staan onder toezicht van de IGJ. Gemeenten en de zorgverzekeraars vallen buiten het toezicht van de IGJ. maar spelen een belangrijke rol bij de kwaliteitsborging van medische hulpmiddelen.

Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de IGJ, om inzicht te verkrijgen in de organisatie en praktijk van extramurale hulpmiddelen door zorgverzekeraars en gemeenten en mogelijke aangrijpingspunten voor verbetering. Rolstoelen en tilliften zijn daarbij als uitgangspunt genomen, als voorbeelden van hulpmiddelen waar relatief veel meldingen over zijn binnengekomen bij de IGJ. Er zijn interviews gehouden met een steekproef van vijftien gemeenten en met zes (koepels van) zorgverzekeraars die samen 97 procent van de markt bedekken. Daarnaast is er gesproken met tien gebruikers van extramurale medische hulpmiddelen, om inzicht te krijgen in welke knelpunten en behoeften er in de praktijk worden ervaren.

Gebruikers schetsen aan de hand van eigen (potentieel) gevaarlijke situaties verschillende tekortkomingen. Gebruikers ervaren het veld van medische hulpmiddelen vooral als complex. Hoewel het aanvragen van een hulpmiddel meestal probleemloos verloopt, ervaren zij het proces daarna als problematisch en onduidelijk. Zo ervaren gebruikers een slechte communicatie met én tussen actoren, voelen gebruikers zich vaak geen volwaardig gesprekspartner en ervaren zij een kennistekort bij diverse actoren in de keten, met name bij het onderhoud van medische hulpmiddelen. Ondanks de incidenten die gebruikers zelf hebben meegemaakt of gezien hebben bij anderen, voelen zij zich in het algemeen niet onveilig met hun hulpmiddel.

Gemeenten zijn sinds de transitie van de AWBZ naar de Wmo in 2015 belast met extra taken, waaronder implementatie van de Jeugdwet en zorgvoorziening aan langdurig zieken en ouderen binnen de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. In de interviews geven de gemeenten aan dat zij voor het uitvoeren van deze extra taken niet voorzien zijn van extra capaciteit, expertise of financiële middelen. Hierdoor is de werkdruk voor gemeenten toegenomen en werd het noodzakelijk werkzaamheden te prioriteren. Daarbij kreeg de implementatie van de jeugdwet en fraudebescherming binnen de persoonsgebonden budget regeling prioriteit vanwege de grote omvang en impact op burgers. Gemeenten lijken weinig zicht te hebben op risico’s van hulpmiddelenzorg. Geen van alle was bekend met incidenten. Gemeenten erkennen dat er in de hulpmiddelenzorg punten te verbeteren zijn, maar herkennen die punten niet als risico’s. Tegelijkertijd ervaren gemeenten het als een positieve ontwikkeling dat kwaliteit een steeds grotere rol speelt in hulpmiddelenzorg, bijvoorbeeld in het stellen van een financiële ondergrens bij gunningsprocedures. Een klein aantal gemeenten voert proactief kwaliteitsbeleid, zoals het organiseren van overleg met betrokken actoren, het in dienst nemen van contractmanagers en het organiseren en handhaven van een actief nazorgbeleid.

Zorgverzekeraars zien het als hun rol om de kosten van zorg te beheersen. Hulpmiddelenzorg beslaat daarbij een klein deel van het totale budget, waarbij er naar de mening van zorgverzekeraars te weinig leveranciers en zorgverzekeraars zijn voor een goede marktwerking. Dat neemt niet weg dat de kwaliteit van medische hulpmiddelen eveneens bij zorgverzekeraars in de afgelopen twee jaar hoger op de agenda staat. Het protocol van Hoorzorg (Stichting PACT, 2015) is hier een voorbeeld van. Zorgverzekeraars herkennen dat de keten van de hulpmiddelenzorg complex is voor gebruikers. Zorgverzekeraars hebben echter geen zicht op incidenten. Ook worden tilliften en rolstoelen niet als probleemgebieden herkend. Desondanks geven zorgverzekeraars aan mee te (willen) werken aan een transparante werkwijze waarbij meetbare uitkomsten en ketenbekostiging belangrijke factoren zijn. Verzekeraars kunnen nu niet optimaal inkopen op kwaliteit omdat kwaliteitsnormen nog onvoldoende door het veld geformuleerd zijn.

De geanalyseerde situatie maakt zichtbaar dat een vorm van effectief toezicht gericht op betere kwaliteitsborging wenselijk is. Effectief toezicht wordt beschouwd aan de hand van drie voorwaarden: helderheid in het risico, de norm en de adressant. In de kwaliteitsborging van extramurale medische hulpmiddelen ontbreekt helder zicht op het risico. De IGJ ontvangt incidenten en meldingen, maar concrete cijfers ontbreken. Gemeenten en zorgverzekeraars hebben geen zicht op risico’s in het veld op de door hen verstrekte medische hulpmiddelen. Daarbij speelt dat er geen harde, gesloten, normen zijn voor kwaliteitsborging van medische hulpmiddelen en dat er onduidelijkheid heerst over wie aanspreekbaar is op de kwaliteit van zorg. Dit is kenmerkend voor ketens of netwerken waar verschillende aanbieders van elkaar afhankelijk zijn maar niemand aanspreekbaar is op het overall resultaat.

Uit het onderzoek concluderen we dat verantwoordelijkheden in kwaliteitsborging door verschillende actoren niet volledig opgepakt (kunnen) worden. Dit is met name merkbaar voor de gebruikers van de hulpmiddelen. Gemeenten en zorgverzekeraars missen een urgentiebesef door het ontbreken van zicht op risico’s en het ontbreken van veldnormen. Ook zijn verantwoordelijkheden verdeeld, waardoor aan de drie voorwaarden voor effectief toezicht moeilijk voldaan kan worden. Belangrijk is om helderheid en bewustwording te creëren over de aard en omvang van de risico’s, en gezamenlijke doelstellingen te vertalen in beleid en veldnormen. De meeste verbetermogelijkheden liggen bij gemeenten, verzekeraars en het ministerie van VWS, die stelselverantwoordelijk kan worden geacht. Zorgverzekeraars en gemeenten lijken nog zoekende wat de beste methode is om kwaliteit concreet te waarborgen. In de huidige situatie worden gebruikers (te) weinig betrokken in het proces van hulpmiddelenzorg. De IGJ zou hierin een adviserende rol kunnen spelen. Een systeem waarbinnen gebruikers kunnen meedenken en onderlinge kennisuitwisseling gestimuleerd wordt, kan tot concrete uitkomsten leiden en veel winst in kwaliteit realiseren. (aut. ref.)