Publicatie

Publicatie datum
Veranderingen in de verdeling van sociaaldemografische kenmerken binnen sociaal-economische groepen in de huisartspraktijk 1987-2001.
Deunk, E.N., Schellevis, F., Bosch, W.J.H.M. Veranderingen in de verdeling van sociaaldemografische kenmerken binnen sociaal-economische groepen in de huisartspraktijk 1987-2001. TSG: Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen: 2004, 82(3) 64. Abstract. Nederlands Congres Volksgezondheid 2004 ' Preventie in de 21e eeuw', De Doelen Rotterdam, 14-15 april 2004.
Ondanks een toename van de levenstandaard, algemene gezondheid en levensverwachting van de algemene bevolking de afgelopen decennia, wijst steeds meer onderzoek erop dat de sociaal-economische ongelijkheid in gezondheid toeneemt. Verschillen in gezondheid kunnen nog uitgesprokener zijn voor kwetsbare subgroepen (o.a. ouderen, werkelozen, alleenstaanden, allochtonen) in de lage sociaal-economische klasse. Doel van het onderzoek is veranderingen binnen sociaal-economische groepen in sociaaldemografische kenmerken te beschrijven tussen 1987 en 2001 in de huisartspraktijk. In dit observationele onderzoek in de huisartspraktijk werden de data van de 1e en 2e Nationale Studie 1986-1987 (N=355,000) en 2000-2001 (N=400.000) gebruikt. De sociaal-economische status werd vastgesteld middels de gevalideerde Standaard Beroepenclassificatie 1992 op individueel (en bij kinderen op huishoud-)niveau in 3 groepen: laag, midden, hoog. De meeste sociaaldemografische kenmerken zijn verkregen uit de patiëntenregistratie, het inkomen uit patiëntenenquêtes. De analyses werden uitgevoerd met SPSS en tevens gestratificeerd voor verstedelijkingsgraad. De sociaal-economische status werd in beide periodes bij respectievelijk 73,7% en 71,8% van de patientenpopulatie bepaald. De verhoudingen tussen de sociaal-economische groepen (laag:midden:hoog) veranderden van 34,9%:48,6%:16,5% naar 29,2%:42,4%:28,4%. Binnen de klassen namen de proporties van de risicogroepen overwegend toe: ouderen (21,5% versus 23,5%), allochtonen (11,3% versus 13,8%), gescheiden mensen (3,3% versus 4,2%), 1-oudergezinnen (5,6% versus 7,8%). In stedelijke gebieden was de toename soms groter. Uit onze bevindingen blijkt dat de omvang van de lage sociaal-economische laag relatief afneemt, maar het profiel binnen deze laag verandert: het aandeel van kwetsbare subgroepen neemt relatief toe. Dit zou de toenemende kloof in gezondheid tussen sociaal-economische groepen deels kunnen verklaren, waardoor sociaal-economische verschillen in de toekomst groter kunnen worden. Aan de andere kant biedt inzicht hierin kansen voor huisartsen om deze sociaal zwakkere groepen te identificeren in de lage sociaal-economische groep. Voor ziekten met een sociaal-economische gradiënt biedt dit mogelijkheden voor preventie, case-finding en behandeling op maat.(aut.ref.)